Op 3 juli 2026 verklaarde oud-topambtenaar Hanneke Schipper-Spanninga voor de parlementaire enquêtecommissie corona dat het kabinet tijdens de pandemie moest omgaan met botsende grondrechten bij het maken van beleid.

Schipper-Spanninga, voormalig hoge ambtenaar bij Binnenlandse Zaken, zei dat er voortdurend sprake was van conflicten tussen verschillende grondrechten. Maatregelen die het familieleven, het eigendomsrecht en het recht op onderwijs beperkten, botsten met het recht op leven, dat zwaar woog in beleidskeuzes.

Ze noemde de inperkingen "zware inbreuken", maar benadrukte dat het recht op leven een heel fundamenteel grondrecht is. Hoewel er geen rangorde bestaat tussen grondrechten, wordt de volksgezondheid al snel als zeer zwaarwegend beschouwd. "De overheid doet niet snel niks op het moment dat het risico bestaat dat er dan meer doden vallen," aldus Schipper-Spanninga.